Skip to content

II. Stop- en parkeerverbod

Hoofdstuk 7: Stilstaande of geparkeerde voertuigen

Het is overal verboden te stoppen en te parkeren waar het voertuig:

  • kan een gevaar vormen voor andere gebruikers,
  • kan andere gebruikers onnodig storen.

In het bijzonder op:

  •  Voetpaden.

  •  Fietspaden.

  • Oversteekplaatsen voor voetgangers en voor fietsers en bromfietsen op minder dan 5 meter afstand (voorzijde). Dit verbod geldt alleen op de rijbaan en niet op de bermen.

  • Uitstekende bermen in de bebouwde kom , tenzij lokale regelgeving van toepassing is.

  •  Overwegingen.

  • Richtingseilanden en vermijdingszones.

  •  Schaakbordmarkeringen.

  •  Verhoogde apparaten.

  • Snelwegen en wegen voor auto’s , behalve op parkeerterreinen aangegeven met bord E9a.

  •  Wegen onder een brug en in tunnels.

  • Wegen in de buurt van een verborgen bocht of de top van een heuvel.

Het is ook verboden om te stoppen en te parkeren:

  • Rond kruispunten en minder dan 5 meter voor en na de bocht.
  • Minder dan 5 meter van de plek waar fietsers en bromfietsers het fietspad moeten verlaten om op de rijbaan te rijden.
  • Minder dan 20 meter van lichtsignalen op kruispunten, tenzij lokale regelgeving (parkeerplaatsen).

  • Minder dan 20 meter onder de lichtsignalen buiten kruispunten. Dit verbod geldt niet voor voertuigen waarvan de hoogte inclusief belading niet meer dan 1,65 meter bedraagt, indien de onderrand van de seinen zich minimaal 2 meter boven de rijbaan bevindt.
  • Minder dan 20 meter onder verkeersborden. Dit verbod geldt niet voor voertuigen waarvan de hoogte inclusief belading niet meer dan 1,65 meter bedraagt, indien de onderrand van de seinen zich minimaal 2 meter boven de rijbaan bevindt.

Ik test mijn kennis met vragen


Quiz starten


Vorige


Volgende

Hoofdstuk 1: Regelgeving