Skip to content

III. Het parkeerverbod

Hoofdstuk 7: Stilstaande of geparkeerde voertuigen

Parkeren is verboden, maar stoppen niet:

 
  • Voor een garage  of een voertuigtoegang,  behalve voor voertuigen waarvan de kentekenplaat bij de toegang leesbaar wordt weergegeven.
  • Minder dan 1 meter voor of achter een ander stilstaand of geparkeerd voertuig.
  • Nog geen 15 meter aan weerszijden van een bus-, trolleybus- of tramhalte.
  • Elke plaats waar het voertuig de toegang tot een ander voertuig of het vertrek van een ander voertuig zou verhinderen.
  • Overal waar voetgangers, fietsers en bromfietsers de rijbaan moeten gebruiken om een ​​obstakel te omzeilen.
  • Elke plaats waar de doorgang van voertuigen op rails zou worden belemmerd.
  •  
  • In ruimtes voorzien voor mindervaliden,  in het bezit van een speciale parkeerkaart.
  • Op plaatsen waar het voertuig de toegang tot parkeerplaatsen buiten de rijbaan zou belemmeren.
  • In woonwijken,  tenzij toegestaan ​​door verkeersborden of wegmarkeringen.
  • In voetgangersgebieden.
  • Waar het E1-signaal dit verbiedt.
  • Op een rijbaan verdeeld in rijstroken, behalve op plaatsen voorzien voor parkeren.
  • Langs een onderbroken gele lijn
  • Wanneer de breedte van de vrije doorgang kleiner is dan 3 meter
  • Aan de andere kant van een stilstaand of geparkeerd voertuig, waardoor het moeilijk wordt om voertuigen te passeren
  • Op de middenrijbaan van een openbare weg die uit drie rijbanen bestaat
  • Buiten de bebouwde kom op de rijbaan van een voorrangsstrook

Ik test mijn kennis met vragen

Chapitre 1: La réglementation